1956: “Wij Staan Achter Israël”

November 1956. 25 cent van elke verkochte kom snert gaven Jan en Roos aan de steunaktie voor Hongaarse vluchtelingen...
November 1956. 25 cent van elke verkochte kom snert gaven Jan en Roos aan de steunaktie voor Hongaarse vluchtelingen…

Ik was 15. 4e klas Spinoza Lyceum in Amsterdam. Ik weet niet of de school toen al van de P. L. Takstraat bij de Jozef Israëlskade was verhuisd naar het nieuwe gebouw in de Stadionbuurt met zicht op de Zuidas waar het lyceum nog steeds staat.

Ik was een leergierig jongetje. Ik had de vorderingen en nederlagen van de partijen in de Koreaanse oorlog elke dag gevolgd in Het Parool. Ik begon ook al een eigen mening te krijgen. Dat Mac Arthur door Eisenhower terecht werd weerhouden van nucleair antwoord op de Chinezen in Korea, vond ik juist. Mijn vader niet, mijn moeder wel.

In mijn herinnering kwam de Hongaarse opstand in het fabriekscomplex ten Zuiden van Boedapest eerst, en de Suezkanaal crisis vlak daarna. Maar het was ongeveer gelijktijdig, zoals blijkt uit de bronnen.

Hoe het ook zij: de USA steunden de Frans-Britse poging om met behulp van Israël de contrôle over het Suezkanaal terug te krijgen niet. Er ontstond een patstelling aan het kanaal en Egypte onder Nasser, bondgenoot Syrië, gefrustreerde Hoesseins van Jordanië enzovoort, ze bedreigden voortaan Israël des te meer.

Mijn ouders besloten de gratis beschikbare affiche “Wij Staan Achter Israël” voor het raam van onze huiskamer aan de Hoornsestraat in Nieuwendam (nieuwe dorp) op te hangen. Ik had al lang daarvoor Leonard de Vries’ boek “Chawweriem” gelezen. Als ‘Trekvogel’ binnen de AJC (Arbeiders Jeugd Centrale*)) bewonderde ik de zionistische jongeren die #Kibboetsen hadden opgericht en cooperatief zelfbeheer beoefenden. Kortom: Ik was verscheurd tussen solidariteit met de jongens en meisjes die ik kende en mijn verzet tegen kolonialisme.

Hoe het verder ging met mijn steun aan Israël – dat volgt verderop.

Tegelijkertijd dus, begin november 1956, woedde de Hongaarse opstand tegen de Russische overheersing. Het begon ongeveer zoals de Commune van Parijs in 1871. Arbeiders van fabrieken op het industrieterrein ten zuiden van de stad Boedapest verjoegen de burokraten en wilden arbeiderszelfbeheer.

Nagy en een groep aanhangers zagen een mogelijkheid om een ‘Stalinisme-soft’ in te voeren, maar werden met tanks tot de orde geroepen door Chroesjtsjof. Veel Hongaren vluchtten naar het Westen waar ze meestal goed werden ontvangen.

Wij leden van de sociaaldemocratische jeugd werden geacht voorop te gaan bij de steun voor de Hongaarse vluchtelingen. Ik herinner me collectes in verschillende buurten van Amsterdam Noord. We verzamelden geld dat we later afdroegen aan kaderleden die werkten met hulpcentra voor de vluchtelingen. Of het allemaal goed terechtkwam blijft een vraag. Maar toen al konden we de Amsterdamse humor waarderen, die zei: “Wat ik verdien tussen mijn dijen is voor de pot van Hongarije“!

Intussen was de opwinding over Hongarije in Nederland fors gestegen. Als fietsende leerling tussen Amsterdam Zuid en -Noord belandde ik op de Dam in een rel waarbij omstanders iemand die op Paul de Groot leek agressief vervolgden. De man verdween achter het paleis. Maar het was best eng.

Die avond zou een grote nationale demonstratie plaatsvinden met sprekers op de Dam. Ik geloof dat het 5 november 1956 was. Ondanks verzet van mijn ouders ging ik er naar toe.

Ik herinner me vooral #Scheps. PvdA. (We komen binnenkort nog over hem te spreken in 1963). De vroegere reizende prediker had oratorische gaven. Hij was al vroeg tijdens de Duitse bezetting Verzet gaan organiseren en was een belangrijk man in de PvdA. Wat hij zei was geen echte aanmoediging om de Nederlandse communisten aan te vallen, maar het leek er veel op.

De reclame was pas ingevoerd op de televisie, dus veel aanwezigen riepen “Wij willen Bolletje!” Zonder duidelijke aanleiding. Dat was een eerste manifestatie van het anarchistische 020 verzet. Al een beetje provo, eigenlijk.

Na afloop van de avondlijke manifestatie op de Dam renden veel deelnemers door de nauwe straatjes naar de Keizersgracht waar het communistische duivelsnest zich bevond.

Agenten hielden hen tegen. Ik ging naar huis. Niet wetend dat 20 jaar later Ger Harmsen me er een verwijt over maken zou. Maar dat is weer een ander verhaal.

Maar wat over Israël?

Leraar Van Gessel onderwees ons geschiedenis op het Spinoza. Ik had zonder bijbedoelingen het affiche “Wij staan achter Israel” in mijn schrift nagetekend. Van Gessel was zwart. Hij kwam uit Suriname en hij sprak namen uit op zijn eigen manier. ‘S Hertogenbosch werd ’s Hertógenbosch bij voorbeeld. In dat leerjaar waren we immers aangeland bij onze glorieuze overwinning op de Duc d’Alba. “Kom ons volgende week eens uitleggen waarom we achter Israël moeten staan,” vroeg hij mij.  Natuurlijk was ik akkoord. Van Gessel was een van mijn liefste leraren.

De volgende week stond ik klaar, voor de klas. En plotseling wist ik niet meer wat ik zeggen moest. Een benauwende stilte viel over de klas. Ineens besefte ik, te laat voor het referaat, dat de zaken veel ingewikkelder lagen dan ja of nee tegen Israel. Nooit meer heb ik me zo geschaamd. Mijn vrienden Menno en Jaap, de meisjes die stiekem verliefd op me waren, ik had ze in de steek gelaten dacht ik.

Ik ben leraar Van Gessel uit Suriname nog steeds dankbaar voor de les die ik van hem leerde. Ik kwam hem een paar jaar later tegen in andere omstandigheden, waarover tezijnertijd nog eens.

En nee, ik heb niemand in de steek gelaten. Ik heb nooit meer onvoorbereid gesproken. Ik bemin Israël op mijn manier. Ik haat racisten van welke komaf dan ook. Op zijn subtiele wijze heeft leraar Van Gessel me geholpen om het héle plaatje te zien voordat ik me uitspreek.

Dat waren mijn lessen van najaar 1956. Ik hoop dat u meevoelt.

Bij de foto: November 1956. 25 cent van elke verkochte kom snert gaven Jan en Roos aan de steunaktie voor Hongaarse vluchtelingen… 

*) De AJC was een Nederlandse versie van de Duitse Rote Falken, opgericht in de twintiger jaren door Koos Vorrink cs. Na 1945 vond men Rode Valken te aggressief klinken voor een jeugdorganisatie waar men geregeld het lied “De Mensch is Goed…” aanhief. De valken werden “Trekvogels” (12-16 jaar). Acht tot 12 jarigen zaten bij de Zwaluwen en boven de 16 werd je “Rode Wacht”. Dat dan weer wel. In 1959 werd de organisatie omgezet in Jeugd en Jongeren Centrum “Ruimte” door onder anderen André van der Louw.

Daarover in een volgende memory!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *